Startavond

Getuig met fierheid zonder arrogantie

Titus Brandsma lezing 7 juni 2013 door Mieke Van Hecke

 

‘Onder de vele vragen die ik mijzelf stel, houdt wel geen mij meer bezig dan het raadsel, dat de zich ontwikkelende mens, prat en fier op zijn vooruitgang, zich in zo grote getale afkeert van God’

Dit uittreksel uit de beroemd geworden rectorale rede, die Titus Brandsma hield bij de opening van het academiejaar 1932-1933 werd niet alleen op meesterlijke wijze geduid door denkers als Anton Van Duinkerken, Piet Schoonenberg en Kees Waaijman in de publicatie over ‘de spiritualiteit van Titus Brandsma. Ook werd deze gedachte reeds veelvuldig geciteerd in referaten van mijn achtingsvolle voorgangers op dit spreekgestoelte. Ik neem de uitspraak ook graag mee vooreerst als een persoonlijk eerbetoon aan de inspirator Titus Brandsma, maar ook als intro op mijn voordracht Ze geeft mede draagkracht aan de opdracht, die mij werd toevertrouwd nl. de christelijke inspiratie gestalte te geven in het onderwijsaanbod van de katholieke onderwijsinstellingen in Vlaanderen.

Dit laatste geeft ook de grenzen aan van de scoop, die ik in mijn tussenkomst wil behandelen. Ik ben Vlaming, leef en werk geworteld in die leefgemeenschap, ingebed in de historisch, sociologische realiteit van dit kleine plekje op de wereldkaart.

Daarbinnen werd mij nu een tiental jaar geleden door de Vlaamse bisschoppenconferentie een belangrijke taak toebedeeld: de eindverantwoordelijkheid voor het katholieke onderwijs in Vlaanderen ( het koepelorganisatie). Ik stel mezelf en ‘mijn’ onderwijsveld eerst even voor. Het eerste kort, het tweede wat uitgebreider. In mijn curriculum hebt u kunnen vernemen dat ik een professionele voorgeschiedenis heb als jurist en als politicus. Theologie, filosofie, sociologie en academisch wetenschappelijke deskundigheid zijn mij dus vreemd. Mijn taal- en woordgebruik zullen dus de toets van correctheid aan die disciplines moeilijk doorstaan, maar ik troost mij met de gedachte dat taal in de eerste plaats communicatie is en ga er dus van uit dat de inhoud u allen kan bereiken.

Het Vlaamse katholieke onderwijsveld is uniek in Europa omdat het vrij initiatief voor onderwijsverstrekking groter is dan het overheidsaanbod. In Vlaanderen hebben we, om maar even en daarna nooit meer een economisch- commerciële taal te gebruiken een marktaandeel van 63% voor het basisonderwijs (in Nederland primair onderwijs) en zelfs 75% voor het secundair onderwijs (bij u het voortgezet onderwijs). Zowel het gewoon als het buitengewoon onderwijs (speciaal onderwijs in Nederland), maar ook nog het onderwijsaanbod aan volwassenen, het hoger onderwijs buiten universiteit en de internaten. Het gaat om meer dan 2500 scholen 800 schoolbesturen, 650.000 leerlingen en meer dan 100.000 personeelsleden. Uiteraard biedt de Belgische Grondwet de noodzakelijke bescherming voor de vrijheid van oprichting, inrichting en richting van onderwijs. De vragen, die nochtans gesteld worden zijn: mogen, kunnen en zullen er morgen katholieke onderwijsinstellingen zijn in het geseculariseerd, multicultureel en multireligieus Vlaanderen.

Ja, Vlaanderen is maatschappelijk sterk veranderd. In het eerste deel van mijn referaat wil ik dan ook enkele van deze veranderingen duiden nl. deze, die een impact zullen hebben bij het beantwoorden van de gestelde vragen naar de toekomst van het katholiek onderwijs in Vlaanderen.

Mijn persoonlijke geschiedenis start in het rijke, Roomse Vlaanderen, binnen de toen almachtige katholieke zuil. Om het even te schetsen: aan het ontbijt at je brood, dronk je melk en was er toespijs aan tafel vanuit de eigen coöperatieve vennootschap, ook de kolen voor de kachel werden van daaruit geleverd, je las het dagblad Het Volk of De Standaard resp. spreekbuis van de katholieke werknemersorganisatie of van de katholieke middenstand, je was uiteraard verzekerd bij de eigen verzekeringsmaatschappij DVV, je was lid van de eigen vakbond het ACV, je was uiteraard lid van de christelijke mutualiteiten, die ook de democratische vakanties in eigen centra verzorgde. Je was lid van één of andere katholieke socio-culturele organisatie, waarbinnen je je sociaal engagement realiseerde. Als lezer haalde je je boeken in een katholieke bibliotheek. Je kinderen gingen uiteraard naar een katholieke school en waren lid van een katholieke jeugdbeweging. Je ging elke zondag naar de mis en was werkzaam lid van de lokale parochiale gemeenschap.

Thuis werden bij alle moeilijke momenten tot en met het verlies van een waardevol voorwerp kaarsen gebrand en heiligen aanroepen en op geregelde tijdstippen ging de familie op bedevaart bij een lokale heilige of naar een mariaal gebedsoord.

Dit alles ontplooide zich onder een alziende en alomtegenwoordige kerk en haar vertegenwoordigers.

Terugkijkend naar die periode moet men erkennen dat er een gevoel bestond bij de gelijkgestemden van samenhorigheid en beschermende veiligheid. Doet mij denken aan het lied van Paul Van Vliet: ‘Veilig achterom bij vader op de fiets, vader weet de weg en ik weet nog van niets. Ik weet nog hoe het rook, ik weet nog hoe het was; met mijn armen om hem heen, mijn wang tegen zijn jas’. Het waarborgde de geborgenheid en versterkte het identiteitsgevoel.

Het geloof was evenwel bij velen niet verinnerlijkt. Ze gingen trouw naar de mis, omdat de pastoor hen dat opdroeg. Van zodra de luiken open gingen, bleef van die oppervlakkige geloofsbeleving niet veel over. Soms als ik ontmoedigde gelovigen beluister over de afkalving van hun aantal en hun bede naar een terugkeer naar hoe het vroeger was denk ik soms dat zij menen te hebben verloren wat er vroeger misschien bij velen niet eens was.

En de luiken gingen open. Vaticaans concilie en mei ’68 als in mijn ogen onomkeerbare momenten van recente maatschappelijke veranderingen. Historische gebeurtenissen, die enkel aan de oppervlakte brachten wat reeds geleidelijk en meer geluidloos als de lava in een slapende vulkaan in de maatschappij leefde.

Vooreerst intern mocht het gezag en meer nog de macht van de zuil en van de kerk publiek in vraag worden gesteld. De roep naar herbronning, verantwoording naar en participatie van de leden zou niet meer stilvallen. De kerk als instituut heeft daarop tot op vandaag geen adequaat antwoord kunnen bieden.

Ik onderschrijf dan ook graag de vaststelling, die Piet Schoonenberg maakte in zijn rede uitgesproken bij de opening van het Titus Brandsma Instituut . ‘Bovendien krijgt men het gevoel dat de hedendaagse polemiek rond gelovig zijn (waar ik verder zal op ingaan) zich meer richt tegen de macht van de kerk, tegen haar samengaan met het ‘establishment’ en tegen al wat in de religies de mens van zichzelf vervreemde dan tegen de godsidee op zich’.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze verbonden gemeenschap voor velen ook een keurslijf betekende, waar zij in hun persoonlijke ontplooiing gehinderd werden. De regeldrift ook in de geloofsbeleving bood geen plaats voor persoonlijke reflectie, bood geen plaats voor wankelende zekerheid, bood geen plaats voor wijfelend zoeken, laat staan respect en gastvrijheid voor het anders zijn.

Dit rijke, roomse Vlaanderen betekende niet alleen een machtsgegeven, maar hield ook een zeer sterke opstelling van uitsluiting in. Indien je niet van de club was, kwam je er niet in. Sociaal werd je uitgesloten, maar ook professioneel. De toegang tot bepaalde beroepen werd voorbehouden aan zgn. eigen mensen: dit vooral in overheidsdiensten, inclusief onderwijs. Zo werden in scholen, georganiseerd door lokale besturen, waar de christen democraten aan de macht waren geen leerkrachten benoemd indien ze hun diploma niet hadden behaald aan een katholieke lerarenopleiding. Maar ook in private bedrijven gerund door ondernemers, die tot de ‘meerderheidsgroep’ behoorden werd voorrang gegeven aan kandidaten uit de eigen groep.

Het uiten van meningen, afwijkend van de katholiek christelijke visie op mens en samenleving werd gekanaliseerd naar de eigen communicatiekanalen van deze minderheden en gemarginaliseerd.

Het kan dan ook geen verwondering baren dat bij het keren van het tij door secularisatie en afkalving van de ‘aanhang’ van dit katholieke middenveld de reactie zeer fel was.

Niet alleen kwamen andere meningen meer aan bod, meer nog de stem van de gelovige werd gemarginaliseerd, geweerd uit de publieke ruimte en geridiculiseerd. Ik hoorde ooit de uitspraak: ‘als je als kind niet gelooft, heb je geen hart, als je als volwassene nog gelooft, heb je geen verstand’.

Vanuit deze nieuwe situatie van verwijdering uit de publieke ruimte van gelovig zijn, ontstond in Vlaanderen en waarschijnlijk ook elders een afwezigheid van deze gelovige stem.

Vooral de angst, het onvermogen of de onverschilligheid om openlijk te reflecteren en te spreken over de ‘transcendente’ kern heeft de ‘inhoudelijke ontvetting’ van de christelijke zuil in Vlaanderen mee in de hand gewerkt.

Vooraleer de voorgaande evolutie uit te rollen naar het katholieke onderwijsveld nog twee kanttekeningen, die een meer recente evolutie in onze samenleving duiden.

Vooreerst de vaststelling dat niet alleen het geloof vandaag in crisis is, maar ook het rationalisme en de vrijheidsgedachte. Het is inmiddels duidelijk geworden dat de rede niet alle antwoorden heeft, bovenal niet op de vraag naar geluk en zinvolheid.

Daarnaast het gegeven dat deze hunkering naar zingeving bij volwassenen en bij jongeren te weinig een weg vindt naar religie en levensbeschouwingen, maar zich kanaliseert naar een ongeordend aanbod in het segment dat wordt betiteld als spiritualiteit.

Ik hoorde het iemand als volgt verwoorden: ‘Dat mindfulness vandaag massaal gekaapt wordt door charlatans is geen toeval: de leegloop van de kerken van bonafide religie heet het marktplein van malafide gelukskraampjes vol doen lopen.’

Vanuit deze realiteit kijken naar de zin en dus de toekomst van het katholieke onderwijs in Vlaanderen is een uitdaging. Op welke wijze willen we gestalte geven aan de eigenheid van onze missie en ons pedagogisch project. Ik benoem het in voordrachten soms als de vraagstelling : hoe is God aanwezig in onze scholen, iets meer trendy God@school. De plaats van de katholiek-christelijke levensbeschouwing in het katholiek onderwijs vandaag.

Het meest zichtbare is de programmatie van het vak Katholieke Godsdienst. Wat meer is bij de erkenningsvoorwaarden voor een katholieke school heeft de Vlaamse bisschoppenconferentie nog in januari 2005 bevestigd dat ‘in het leerplichtonderwijs in een katholieke school enkel de rooms-katholieke godsdienst wordt onderwezen. Afwijking hiervan ten gevolge van bijzondere omstandigheden is onderworpen aan de goedkeuring van de bisschop van het bisdom waarin de school gelegen is’.

In Vlaanderen is de onderwijs-juridische situatie dusdanig dat in het leerplichtonderwijs verplicht wekelijks gedurende twee uren het vak levensbeschouwing moet worden aangeboden. Zoals ik al zei is dat in het katholiek onderwijs enkel het vak Rooms katholieke godsdienst, meer nog in het basisonderwijs (uw primair onderwijs) wordt binnen ons onderwijsnet zelfs een derde uur aangeboden binnen de eigen programmatieruimte, die de wetgever heeft ingesteld. In het openbaar onderwijs moet op vraag van ouders een aanbod zijn in elk van de door de Belgische staat erkende religies (zes: katholiek, protestants, anglicaans, orthodox, joods en islamitisch) en daarnaast ook het vak niet- confessionele zedenleer (ik meen dat het bij u ‘humanisme’ noemt). Daar bovenop hebben ouders in het officiële onderwijs ook het recht vrijstelling van het volgen van een levensbeschouwelijk vak te eisen.

De inhoud van het vak en de criteria voor het geven van het mandaat aan leerkrachten, wat de toelating inhoudt tot het doceren van het vak ligt bij de zgn. erkende instanties. Voor de katholieken is dat de bisschoppenconferentie.

Dit is één van de wezenlijke uitingen van de kerkverbondenheid van onze onderwijsinstellingen m.m. van onze koepel. De bisschop referent voor onderwijs en de vicarissen voor onderwijs van de verschillende Vlaamse bisdommen maken deel uit van het centrale bestuursorgaan van mijn organisatie. Ik spreek met overtuiging van kerkverbondenheid en niet van kerkgebondenheid. Ik ervaar een grote ruimte om vanuit de eigen opdracht zelf verantwoordelijkheid te kunnen opnemen. Blijkbaar percipiëren onze ouders de verhouding school-kerk op deze open wijze, want ondanks de tanende steun voor de kerk als instituut blijft het vertrouwen in onze scholen onverminderd overeind.

Terug naar het levensbeschouwelijk vak: op dit moment staat in Vlaanderen, maar ook in het Franstalig landsgedeelte van België de legitimiteit van een dergelijk levensbeschouwelijk vak zwaar onder druk. Het debat kan voorlopig enkel ideologisch worden gevoerd omdat legistiek de bescherming voor het levensbeschouwelijk vak verankerd is in de Grondwet. De argumentatie voor de afschaffing van het levensbeschouwelijk vak bestaat erin dat er geen maatschappelijk draagvlak meer is voor religieuze en levensbeschouwelijke vorming binnen onderwijs en anderzijds dat er een behoefte bestaat om aan alle kinderen en jongeren informatie te geven over de grote levensbeschouwelijke, filosofische en ethische stromingen aanwezig in de samenleving, teneinde hen voor te bereiden op een leven in een multireligieuze omgeving.

Omdat de ruimte en tijd mij ontbreekt om dit thema ten volle uit te diepen, wil ik u wel meegeven dat de meest fundamentele kritiek, die van ons uitgaat te maken heeft met de finaliteit van dit levensbeschouwelijk vak. Wij wensen dit niet beperkt te zien tot een learning about religion , maar doorheen het learning from religion te komen tot het learning into religion. Bij het stellen van existentiële vragen willen we de bouwstenen aanreiken voor antwoorden vanuit het evangelie en de christelijke traditie, willen we kennis geven van antwoorden vanuit andere levensbeschouwingen en humanisme, benoemen we gelijkenissen en verschillen, dagen we uit tot kritische reflectie en nodigen we finaal uit tot het maken van eigen keuzes. Weg van de onverschilligheid, die m.i. vandaag een hypotheek legt op de echte kwaliteit van ons samenleven.

We willen laten zien dat godsdienst in zich het potentieel heeft om een mens boven zichzelf uit te doen stijgen, het allermooiste uit hem te halen, bovenmenselijke prestaties neer te zetten. ‘Opgelet, lezen in de bijbel kan gevaarlijk zijn. Het kan je leven totaal veranderen’

Levensbeschouwing, meer bepaald religie, bezorgt de mens twee zaken die rust brengen in de onrustige geest: identificatie en oriëntatie. Men ziet zichzelf opgenomen in een groter geheel en men krijgt een wegwijzer voor de levensreis.

Een tweede aanwezigheid van de eigen levensbeschouwing in onze scholen ligt vervat in de pastorale initiatieven. Dit zijn momenten waarop kinderen, maar ook leerkrachten komen tot dialoog, bezinning en engagement in Jezus’ naam en vanuit de kracht van Gods nabijheid. Deze momenten zijn verbonden met periodes in het kerkelijk jaar of bij sleutelmomenten in het schoolleven. Behalve kerstvieringen, waar de verwijzing naar de goddelijke geboorte in onze scholen (gelukkig) niet primeert op het sfeergevoel van warme brandende open haarden en pakjestijd, stel ik mij soms vragen bij de aanwezigheid van verwijzingen naar het goddelijke of het evangelische in sommige vieringen. Vanuit het label ‘eigentijdse’ vieringen herken ik wel de grote verhalen, maar mis ik soms de finale duidings-zin: eindigt het verhaal van de goede herder met het gegeven dat God zijn schepselen niet afschrijft, dat hij de bloemen in het veld kleedt. Leidt de multireligeusiteit niet naar vieringen met een gehele afwezigheid van God, Jezus en evangelie. Is de vastentijd een uitnodiging tot innerlijke verdieping, een oproep tot soberheid en van daaruit een actie voor solidariteit of beperkt het zich tot ook terecht zeer boeiende en wervende initiatieven voor derde en vierde wereld?

Bij pastorale werking denk ik ook aan eigentijdse vormgeving van een stille ruimte in de onderwijsinstelling. Ook de aandacht voor katholiek christelijke rituelen en symbolen vinden hun plaats in deze pastorale werking.

Tenslotte ligt het eigen levensbeschouwelijk karakter van onze scholen in hun identiteit. Identiteit is het DNA van onze scholen, maar zeer moeilijk te omschrijven. Wat onderscheidt een katholieke school van een andere school?

Professor Didier Pollefeyt van de faculteit theologie aan de KULeuven heeft in opdracht van de bisschoppenconferentie van Melbourne een instrument ontwikkeld om door diepte-interviews met alle actoren in een katholieke school vast te stellen hoe het omgaan met identiteit reëel aanwezig is, maar ook hoe deze bevraagden zich het omgaan met identiteit in hun school zouden wensen. De actoren in een school zijn de schoolbestuurders, de directies en kaderleden, de leerkrachten, de leerlingen en de ouders.

Hij distilleerde uit zijn onderzoek vier types van katholieke scholen, die ik hierna zal beschrijven. Het VSKO, mijn koepel van Vlaamse katholieke onderwijsinstellingen heeft in overleg met haar achterban de uitdrukkelijke keuze gemaakt naar het type van katholieke school dat toekomstperspectief geeft aan het katholieke school zijn in een geseculariseerde, multireligieuze en multiculturele Vlaamse samenleving, zoals die trouwens ook aanwezig is in de populatie van onze scholen anno 2013.

Het eerste type, dat wordt voorgesteld is de kleurloze school. Dit is een school, die meedrijvende op de trend in de samenleving geen plaats ziet voor levensbeschouwing in het geheel van het schoolgebeuren. Religie behoort tot de private sfeer en wordt beleefd in gezinnen of in geloofsgemeenschappen.

Het tweede type is de kleurrijke school. Zeer herkenbaar en kenmerkend voor de huidige situatie van nogal wat van onze katholieke scholen in Vlaanderen. Velen definiëren onze scholen als scholen die waarden en normen beleven en doorgeven aan de jongeren. Waarden als verdraagzaamheid, respect, vredelievendheid, solidariteit e.a. Waarden, die beschouwd worden als algemeen erkende humane waarden (sommigen bevestigen nog: vanuit christelijke traditie ontstaan). Even vermelden dat ‘vergevingsgezindheid’ niet wordt opgenomen in het lijstje van humane waarden. Deze christelijke fundamentele ‘deugd’ is de meest tegennatuurlijke opdracht aan mensen gevraagd.

Het eigene van een kleurrijke school is dat het fundament, van waaruit voor deze waarden wordt geijverd onbelangrijk is. Laat ons deze waarden delen en van daaruit meewerken aan een betere samenleving.

Het is duidelijk dat onze katholieke scholen rond deze waarden moeten werken en ze hoog in het vaandel moeten voeren, maar dit doen hopelijk ook alle scholen. Het kenmerkt dus onze scholen, maar het onderscheidt hen niet van anderen.

Het wekte verwondering dat uit de voornoemde bevraging bleek dat ouders een pleidooi hielden om verder te gaan dan dit loutere waardenverhaal, ook al verklaarden slechts een 10 % van de bevraagde ouders zich te bekennen tot de kerkelijk, gelovige gemeenschap.

Het derde type is de monoloogschool een school door, van en voor gelovige katholieken, met veel aandacht voor geloofsoverdracht, rituelen en symbolen. Uiteraard is dit een katholieke school. Het VSKO gelooft niet in de segregatie, die deze opstelling met zich meebrengt en zij heeft de overtuiging dat deze jongeren niet worden voorbereid en begeleid naar de opdracht om als volwassenen verantwoordelijkheid op te nemen in onze samenleving, gekenmerkt door de diversiteit en openheid.

Het vierde en laatste type is de dialoogschool. Deze dialoog voltrekt zich op twee assen: een verticale en een horizontale.

Op de verticale as gaat de school de dialoog aan met haar eigenheid, vanuit de evangelische inspiratie en missie van haar stichters. De secularisering krijgt geen antwoord wanneer christenen in het algemeen en katholieken in het bijzonder zich gedragen als ‘cultuurchristenen’ die het nog wel willen hebben over waarden, maar nooit meer over het geloof zelf hebben. Het brengen van een boodschap van algemeen humane waarden om de geloofsvragen te kunnen vermijden. De Oostenrijkse theoloog en socioloog Paul Zulehner verwoordt het sterk, toen hij zei: Onze voorgangers moeten ophouden met hun eigen goddeloosheid te etaleren’.

Het onderscheid tussen geseculariseerd humanisme en cultuurchristendom is uitgevlakt. Dit ‘cultuurchristendom’ werkt voor niemand inspirerend. Het staat niet alleen het eerlijke debat met andersdenkenden in de weg, maar is ook heilloos voor al wie, tastend en zoekend, de vraag naar de kern van het christendom nog hardop wil stellen. Het christendom in Vlaanderen heeft geen toekomst als wie zich christen of katholiek noemt de kern van het geloof niet meer te berde durft brengen en zich maar gemakshalve als ‘cultuurchristen’ presenteert, dit vanwege hun overgevoeligheid voor de intellectuele mode van La Flandre Profonde.

Op een dynamische wijze (katholieke school zijn is een werkwoord) geeft deze dialogale school invulling aan de inspiratie in een hedendaagse taal, op een hedendaagse wijze (recontextualiseren) en vanuit de concrete eigenheid van de school (multiculturele stedelijke school, relatieve homogene bevolking in landelijke gebieden).

Ze duidt ook de keuzes aan, die de school op verschillende gebieden maakt vanuit de identiteit.

Een voorbeeld om dit te verduidelijken. Elke school maakt de keuze zich in te zetten voor een zorgbeleid naar haar leerlingen. Een katholieke school heeft in deze geen keuzevrijheid. Ze moet dit doen vanuit haar evangelisch fundament. Deze duidelijke opdracht staat o.m. in de parabel van de goede herder (op zoek gaan naar het gekwetste schaap), de verloren zoon (nieuwe kansen geven aan diegene die falen), de barmhartige Samaritaan (zorg geven aan wie u niet dierbaar is of wie u vreemd is, ongeacht, kleur, ras, taal, seksuele geaardheid, …).

Benoemen wat de diepste drijfveer is van ons handelen, denken en doen: de evangelische boodschap, de dienst aan de ander, met voorkeur naar de meest kwetsbare. Zo hebben we zwaar ingezet naar een sociale stage voor onze oudere leerlingen. Niet zomaar een verplichte burgerdienst, maar een inzet voor zwakkeren in onze samenleving, geduid vanuit de bergrede; geen one shot van eventjes een dag eten te bedelen aan ouderen in een zorginstelling, neen … verankerd in voorbereiding en in nazorg naar een blijvende inzet in een engagement als toekomstige, verantwoordelijke burgers.

Van daaruit gaat de school in dialoog (op de horizontale as) met de pluraliteit van haar populatie in respect voor de eigenheid van eenieder.

Het project dialoogschool geeft een positieve toekomst aan het project katholieke school in het perspectief van de spreuk: ‘Als het visioen verdwijnt, verwildert het volk’. Onze katholieke scholen willen het visioen delen.

Cruciale vraag en volgens sommigen de lakmoesproef voor dit project: met welke medewerkers gaan we dit project realiseren. Eén van de pleitbezorgers voor het LEF- project (het project dat staat voor de afschaffing van de levensbeschouwelijke vakken in het leerplichtonderwijs – LEF staat voor levensbeschouwingen, ethiek en filosofie) is een gelovige filosoof. Hij stelt dat de visie op het levensbeschouwelijk vak in het algemeen en het vak rooms katholieke godsdienst ik correct alleen … jullie hebben niet meer de mensen om dit vak naar de diepgang van het ‘learning into’ in te vullen.

Onze medewerkers zijn kinderen van hun tijd, zij weerspiegelen de pluralistische realiteit in de samenleving. Wat mogen we van hen verwachten. Ik verwijs hiervoor graag naar de identiteitsdriehoek nl. de institutionele identiteit, de professionele identiteit en de persoonlijke identiteit. Over de institutionele identiteit, de identiteit van de organisatie zelf heb ik het al gehad. Wat de professionele identiteit betreft mag je er als organisatie van uit gaan dat, door het aanvaarden van te werken in onze instelling de toekomstige medewerker beseft dat verwacht wordt dat hij/zij mee gestalte zal geven aan het eigen pedagogisch project van de school. Diegene, die een eigen identiteitsbeleving kan bieden zal niet alleen gestalte geven aan de identiteit, maar het mee dragen.

Cruciaal is de persoonlijkheid van de leidinggevende in deze, directie en schoolbestuurder. Niet alleen wordt verwacht dat bij het sollicitatiegesprek dit thema klaar en duidelijk aan bod wordt gebracht, maar vooral zal de eigen persoonlijkheid van die leidinggevende bepalen hoe en in welke mate er ruimte wordt geboden om de identiteit zichtbaar aanwezig te brengen en ook groeikansen te bieden aan jonge medewerkers om van loyale medewerkers ook dragers te worden.

Ik wil eindigen met twee citaten van rector Titus Brandsma, die hierop aansluiten:

‘Al te veel bewandelen wij de negatieve weg van afweer en weerlegging, terwijl het edeler en nuttiger is op positieve wijze de waarheid te doen stralen in het licht dat van haar uitgaat en altijd bekoring heeft voor de menselijke geest’.

Hij meende een positief teken des tijds te ontdekken toen hij schreef: ‘Er komt vooral onder jongeren een jeugdige geestdrift om het geloof in God fier en openlijk te belijden en in zijn schoonheid, in zijn inspiratie tot de goede daad te komen.’

Het is onze opdracht, niet alleen voor mij en mijn talrijke medewerkers, maar ook voor alle gelovigen om op een authentieke wijze naar jongeren en volwassenen, zoals Titus Brandsma ons uitnodigde, het geloof in God openlijk te belijden en te getuigen met fierheid, zonder arrogantie.